Navigatie overslaan

Vos / Birdphoto

Standpunt Predatie weidevogels

Weidevogelbeschermers en boeren met hart voor weidevogels worden vaak geconfronteerd met predatie van weidevogels. Ofwel, met eieren en kuikens die opgegeten worden door vossen, kraaien, reigers en allerlei andere dieren. Zeer  frustrerend voor iedereen die veel tijd en energie steekt in de bescherming van vogels. De achteruitgang van weidevogels wordt vaak geweten aan predatie.

Predatie kan een probleem zijn, maar het is niet de belangrijkste oorzaak van de teruggang van weidevogels. Dat blijkt uit tal van wetenschappelijke studies. Het grootste probleem voor de weidevogels is het verdwijnen van geschikt leefgebied door het steeds intensievere gebruik van het boerenland. Om de weidevogels te redden is het dan ook een absolute voorwaarde dat er meer geschikte bloemrijke weilanden komen waar kuikens veilig zijn en voldoende voedsel kunnen vinden.

Nu er nog zo weinig broedparen over zijn versterkt predatie in sommige regio’s het probleem voor de weidevogels. In goede weidevogelgebieden waar toch veel predatie is kunnen maatregelen genomen worden die er voor zorgen dat verschillende roofdieren niet in het gebied kunnen komen. Dat kan met tijdelijke rasters of schrikdraad. Het actief bestrijden van inheemse predatoren, zoals vossen en kraaien, vindt Vogelbescherming de allerlaatste stap.

Wat is predatie?

Als eieren en kuikens van weidevogels  worden opgegeten door roofdieren, is er sprake van predatie. Dat doen bijvoorbeeld vossen, marters en ratten. Maar ook katten. Vogels kunnen ook andere vogels prederen: een boomvalk vangt boerenzwaluwen, reigers eten eendenpullen, de buizerd vangt ook weidevogelkuikens en kraaien lusten graag een weidevogelei.

Groot belang goed leefgebied

Als er voldoende geschikt leefgebied is voor weidevogels en hun kuikens dan  is predatie geen gevaar voor het voortbestaan van de soort. Met geschikt bedoelen we grote gebieden van voldoende kwaliteit voor voedsel, veiligheid en voortplanting. Dat zijn gebieden met voldoende hoge waterstand en met flinke stukken kruidenrijk grasland met veel insecten. Want fitte kuikens die makkelijk aan eten kunnen komen, kunnen zich langer verstoppen en hebben zo minder last van predatie. Een gruttokuiken dat opgroeit in kruidenrijk grasland heeft een veel grotere kans om als volwassen broedvogel terug te keren, dan een kuiken dat opgroeit in intensief raaigrasland. Kortom, de kwaliteit van het gebied waar weidevogelkuikens opgroeien, heeft grote invloed op hun overlevingskansen op korte én lange termijn.

Goede weidevogelgebieden zijn de afgelopen decennia steeds schaarser geworden. Een belangrijke oorzaak van de achteruitgang van weidevogels is de intensivering van de landbouw. De grootschalige weidelandschappen met een te lage grondwaterstand en eentonig raaigras dat vaak en vroeg in het jaar gemaaid wordt, bieden weidevogels te weinig voortplantingskansen. Maar ook stadsuitbreiding, wegenaanleg en de toenemende recreatie kunnen op gebiedsniveau belangrijke negatieve factoren zijn.

Er is nog maar weinig echt geschikt leefgebied voor weidevogels in Nederland. In nog maar enkele gebieden vinden we nog grote aantallen weidevogels. Het is effectief om het beheer te concentreren in deze zogeheten weidevogelkerngebieden. Boeren en natuurterreinbeheerders nemen daar samen extra maatregelen om de weidevogels te helpen overleven. Voor de vogels is dat geen probleem, ze zitten graag in grote concentraties; zo kunnen ze zich beter verdedigen tegen de meeste predatoren. Dat is ook nodig, want die weidevogelconcentraties blijken juist ook aantrekkelijk voor predatoren. Soms blijken predatoren  flinke schade te kunnen aanrichten in die kerngebieden. Maar een goede gezonde weidevogelpopulatie is daar tegen bestand. Het aantal weidevogels en het aantal goede grotere gebieden is echter inmiddels zo klein dat predatie ook in deze gebieden grote impact kan hebben.

Predatoren doden?

Nu de aantallen weidevogels in bepaalde regio’s maar blijven afnemen klinkt de roep om predatoren te doden steeds luider. Als predatoren beschermde nesten leeghalen is dat zeer frustrerend voor de boeren, vrijwilligers en natuurbeschermers die zich gepassioneerd voor weidevogels inzetten. Vogelbescherming begrijpt deze frustratie. Anderzijds kunnen we als natuurbeschermingsorganisatie niet om het feit heen dat predatie een natuurlijk fenomeen is.

Het doden van roofdieren is volgens Vogelbescherming alleen in uiterste gevallen een optie. Daarvoor hebben we een  afwegingskader opgesteld. Vóór alles geldt: werk uitsluitend op basis van systematisch verzamelde feiten en de best beschikbare kennis. Eerst doordenken, dan pas doen en altijd de effecten monitoren.

Afwegingskader als basis voor een gebiedsaanpak-op-maat voor weidevogels

De eerste stap is te bepalen wat de waarde van het gebied is voor weidevogels. Heeft het gebied voldoende omvang én broedparen? Vervolgvraag: is het leefgebied van voldoende kwaliteit voor alle broedfases? Dat betekent een hoog waterpeil, voldoende openheid en rust, voldoende oppervlakte kruidenrijk grasland en voldoende kuikenland. Een analyse van Alterra (2014) laat zien dat maar weinig gebieden in Nederland optimaal voor weidevogels zijn ingericht en beheerd. Daar valt de grote winst te boeken.

Tot slot: is het nestsucces (percentage uitgekomen nesten)  en het broedsucces (aantal uitgevlogen jongen per gestart nest) in het gebied structureel onvoldoende om de populatie in stand te houden en zo ja, is er systematisch verzameld bewijs waar het aan ligt?  Daarna kan worden nagedacht over manieren om de predatoren te weren, bijvoorbeeld met schrikdraad.

Hoe functioneren predatoren op landschapsschaal?

We hebben het al snel over hoe we predatoren kunnen weren of bestrijden. Maar je wilt het ‘probleem’ het liefst bij de bron aanpakken. We weten echter onvoldoende wat de factoren zijn die de talrijkheid van predatoren beïnvloeden en welke ingrepen er mogelijk zijn om soorten met beschermingsprioriteit (grondbroedende vogels) tegen predatie te kunnen beschermen.
Daarom willen we meer kennis vergaren over hoe predatoren jaarrond functioneren en hoe ze gebruik maken van het landschap, om zo hun impact op kwetsbare populaties van grondbroeders te verminderen.

Een brede samenwerking is daarbij essentieel, omdat het vraagstuk complex is. Daarnaast vinden we het minstens zo belangrijk dat we komen tot breed gedragen resultaten die het maatschappelijk debat kunnen voeden en perspectief bieden om te werken aan herstel van biodiversiteit. Begin 2020 hebben een consortium van partijen waar Vogelbescherming onderdeel van is een grote onderzoeksaanvraag ingediend (NWO-TTW= Nederlandse organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek, Toegepaste en Technische Wetenschappen) met bovenstaande kennisvraag. Partners in het consortium zijn o.a. RUG, A&W, Sovon, Jasja Dekker dierecologie, Ecosensys en Mulder Natuurlijk, de Zoogdiervereniging en WUR. Deze aanvraag vind aansluiting bij recente literatuur en aanbevelingen daarin (Leyrer et al. 2018; Terwan 2018), het actieplan broedvogels Waddenzee (van Ulzen and Mulder 2018) en de meest recente reviews over predatie door - bijvoorbeeld - Roos et al. (2018) en Wal & Teunissen (2018).

In afwachting van de beoordeling van deze aanvraag is er in het voorjaar van 2020 gestart (met financiering van het ministerie van LNV) met een eerste onderzoek naar de dynamiek tussen predator en prooi in weidevogelkerngebied Eemland, waarbij ditmaal de nadruk minder op het jaarrond aspect ligt, maar meer op de interactie tussen predatoren en verschillende soorten alternatieve prooidieren in het broedseizoen.

Ons overkoepelende doel is meer kennis bij beleidsmakers, terreinbeheerders, boeren en mensen in het veld over effectief predatorbeheer, wat resulteert in het verminderen van de predatiedruk op grondbroedende vogels.

 

Belangrijke bronnen waar Vogelbescherming zich mede op baseert (in alfabetische volgorde)