Navigatie overslaan

Standpunt Ganzen en smienten

Nederland is van groot belang voor overwinterende watervogels. Verschillende soorten ganzen en smienten uit Noord-Europa en Siberië komen in grote aantallen naar ons land om te overwinteren. Van soorten als de kolgans, grauwe gans en brandgans overwintert meer dan de helft van de Noordwest-Europese populatie in Nederland. Dat geeft ons land een grote internationale verantwoordelijkheid om deze vogels voldoende rust, ruimte en voedsel te bieden. Tegelijkertijd wordt het groeiende aantal ganzen, vooral in de zomer, op sommige plekken als een probleem ervaren door de schade die zij kunnen veroorzaken aan vooralmet name landbouwgewassen.

Situatie

De grauwe gans was aan het begin van de 20e eeuw als broedvogel uit Nederland verdwenen door jacht en verlies van leefgebied. Dankzij betere bescherming en herintroductie keerde de soort vanaf de jaren zestig terug. Sindsdien zijn de aantallen ganzen sterk gegroeid. Dat komt niet alleen door de betere bescherming van ganzen, maar ook door veranderingen in het landschap. Door de intensieve landbouw is er veel voedsel beschikbaar, zoals eiwitrijk gras.

De aanwezigheid van ganzen is niet automatisch een probleem. Ganzen horen bij de Nederlandse natuur en spelen daarin een belangrijke rol. Op sommige plaatsen kunnen zij echter belangrijke schade veroorzaken aan landbouwgewassen, kwetsbare natuur beïnvloeden of risico’s opleveren voor het vliegverkeer. Vooral de schade aan landbouwgewassen wordt door sommige boeren en overheden als een groeiend probleem ervaren. 

Om schade te beperken worden jaarrond aanwezig grauwe ganzen in grote aantallen gedood en overwinterende ganzen verjaagd van landbouwgrond, vaak met zogenoemd ondersteunend afschot. Jaarlijks worden op deze manier naar schatting honderdduizenden ganzen en een onbekend aantal smienten gedood. Ook worden in de zomer grote aantallen ruiende ganzen (met name grauwe ganzen) gevangen en vergast. Daarnaast worden eieren geschud of geprikt om de groei van populaties te beperken. Deze maatregelen vinden ook plaats in en rond beschermde natuurgebieden, waardoor niet alleen ganzen worden geraakt, maar ook andere vogels worden verstoord. 

Standpunt

  • Vogelbescherming Nederland is tegen het doden van inheemse ganzen en smienten zowel in de winter als in de zomer.
  • Vogelbescherming is tegen het plaatsen van smient, grauwe gans, kolgans en andere soorten op de lijst van vrij bejaagbare soorten.
  • Vogelbescherming is tegen het doden van inheemse overwinterende ganzen en smienten uit het oogpunt van schadebestrijding, omdat ganzen en smienten in een groot deel van de wintermaanden weinig schade aanrichten. Daarnaast heeft Nederland een belangrijke internationale verantwoordelijkheid ten aanzien van overwinterende ganzen. Zij verdienen daarom een gastvrije ontvangst.
  • Vogelbescherming vindt dat in het geval van belangrijke schade aan gewassen een reële financiële vergoeding uitgekeerd dient te worden aan de gedupeerden.
  • Vogelbescherming vindt dat de populaties van broedende inheemse ganzen, waaronder grauwe ganzen, zich in de grote natuurgebieden vrij moeten kunnen ontwikkelen. Inheemse ganzen zijn een aanwinst voor de Nederlandse natuur. Zij moeten hun ecologische rol kunnen spelen in grote natuurgebieden.
  • Vogelbescherming is tegen afschot en het schudden en prikken van eieren van ganzen in en nabij grote natuurgebieden, waaronder Natura 2000-gebieden. Deze maatregelen zijn veelal ineffectief en veroorzaken bovendien een grote verstoring van andere natuurwaarden in deze gebieden.

Wat doet Vogelbescherming?

  • Vogelbescherming probeert het doden van smienten en ganzen binnen en buiten natuurgebieden zo veel mogelijk te voorkomen door wetenschappelijke onderbouwing, voorlichting, overleg en lobby. Indien er geen andere mogelijkheden zijn, dan voert Vogelbescherming ook juridische procedures om dit te realiseren.
  • Vogelbescherming richt zich primair op de bescherming van overwinterende ganzen en op de bescherming van Natura 2000-gebieden, omdat Nederland daarvoor een grote internationale verantwoordelijkheid heeft.
  • Vogelbescherming pleit voor een winterrustperiode van 1 oktober tot 1 april, waarin geen ganzen en smienten worden gedood. Daarnaast dienen voor brand- en rotganzen rustgebieden aangewezen te worden met een looptijd tot respectievelijk 15 mei en 15 juni omdat deze ganzen laat vertrekken.
  • Vogelbescherming pleit er voor dat er jaarrond geen afschot en nestbehandelingen plaatsvinden in en nabij grote natuurgebieden, waaronder Natura 2000-gebieden. Voor zover dit wel wordt toegestaan moet in ieder geval worden voldaan aan de beschermingseisen gesteld in de Natuurbeschermingswet.