Alle berichten

Door Monica Wesseling
Natuurjournalist

Een tweede nest of niet?

Geplaatst op 28 juni 2020

Een koolmees doet het wel, een ooievaar ‘piekert er niet over’. Voor de merel is het volstrekt normaal terwijl de buizerd een tweede ondoenlijk vindt.

Een tweede legsel; wie wanneer wel, wie waarom niet. Een tweede legsel, maar dan wel een echte. Dus niet een die ter vervanging van het verloren eerste moet dienen. Een nieuw nest, een ‘vers’ legsel na het uitvliegen van de eerste lichting jongen.

Soort

Allereerst maar eens het verschil tussen de verschillende soorten vogels. Vogels die lang voor hun jongen zorgen – met name de grote soorten als ooievaars, meeuwen, roofvogels en uilen - houden het altijd na één nest voor gezien. Er is simpelweg geen tijd meer voor een tweede.

Anders ligt dat bij het overgrote deel van de zangvogels. Broed- en voedtijd zijn relatief kort. Zo vliegen de jongen van een fitis al twee weken nadat ze uit het ei gekropen zijn uit (en worden dan nog wel ongeveer een week een beetje bijgevoerd) en verlaten koolmeesjongen na drie weken het nest.

Merel met nestmateriaal / Alphons Borst

Tweeleggers

Merel en boerenzwaluw spelen altijd op safe en produceren vrijwel standaard een tweede legsel. Twee notoire ‘dubbelleggers’, maar binnen de groep kleine zangertjes, de vogels van 12 tot zeg 17 gram is de variatie enorm. Een koolmees broedt vaak meerdere keren, een fitis nooit; een vink soms en de bonte vliegenvanger steeds vaker.

“Eigenlijk weten we nog heel weinig over waarom de ene soort mikt op één nest, terwijl een andere het altijd twee keer flikt. Er is nooit veel onderzoek naar gedaan. De variatie binnen één soort is al wel decennialang bekeken. Zo wordt er al meer dan vijftig jaar onderzoek gedaan naar de koolmees en bekijk ik zelf al ruim twintig jaar de bonte vliegenvanger”, begint hoogleraar Dierecologie Christiaan Both (Rijksuniversiteit Groningen) zijn uitleg en bespiegelingen.

Die variatie heeft in grote mate te maken met ecologische factoren, vertelt hij.

Koolmees in nestkast / Fred van Diem

Overleving

Neem het aantal vogels in het broedgebied. In een zachte winter overleven veel standvogels; gunstige winter- en trekomstandigheden betekenen veel trekvogels. Both: “De grote overleving betekent drukte in het broedgebied en daarmee minder voedsel per individu. De concurrentie is groot en in zo’n geval zien veel vogels af van een tweede legsel.”

Ook het broedhabitat is van belang. Koolmezen in dennenbossen hebben vaker een tweede legsel dan in loofbossen. “In die dennenbossen is de piek aan rupsen minder hoog maar duurt wel langer dan in eikenbossen.” Ook in moerasgebieden is lange tijd voldoende voedsel aanwezig. Rietgorzen en kleine karekieten maken dan ook vaak tweede legsels.

Habitat, drukte, maar ook het tijdstip in het seizoen waarop de vogel met haar eerste legsel begint, speelt een rol. Een vogel die vroeg aan de slag gaat, heeft vaker een tweede nest. Zo’n vogel kan dus veel nakomelingen produceren; succesvol zijn. En dat betekent een evolutionaire selectiedruk richting vroeg broeden.

Jonge koolmees
Merel met jong

Het weer

En de lijst beslissende factoren wordt nog langer, want ook het voorjaarsweer werkt mee of tegen. Zo begon het voorjaar dit jaar vroeg, gevolgd door een koele periode. Ideaal tweede legselweer. De warmte zorgt voor voldoende insecten; de gematigde temperatuur voor een mooie geleidelijke ontwikkeling van de insecten en dus lang voldoende voedsel. Zelfs de standaard tweeleggers merel en boerenzwaluw zijn afhankelijk van het weer. Een extreem droog voorjaar blokkeert de merel; de regenwormen zitten te diep. Bij te nat houdt de boerenzwaluw het na één keer voor gezien.

Volop vragen

Mooie kennis, maar minstens even veel vragen resten. Een van de meest intrigerende is wel die van de krimp van de geslachtorganen. Geslachtsorganen zijn zwaar en kosten veel energie om ze ‘fit en gezond’ te houden. “Om onnodige ballast te voorkomen laten de vogels direct na het paarseizoen hun geslachtsorganen weer krimpen. Dat bespaart veel energie, ook tijdens het voeden van de jongen. Die krimp wordt gestuurd door hormonen; de productie en verhouding van de verschillende hormonen is op hun beurt weer afhankelijk van de daglengte. Klinkt eenduidig, maar is het niet. Want naast dat hormoongehalte, neemt de vogel in de besluitvorming ook de temperatuur en de voedselbeschikbaarheid mee. “Maar zelfs nu we dit allemaal weten, is en blijft het een raadsel waarom de ene vogel direct bij het begin van het eerste legsel besluit zijn of haar geslachtsorganen te laten krimpen en de andere ze nog even paraat houdt”, constateert Both glimlachend.

Kleine karekiet

Koolmees, karekiet en klimaat

De afbraak van de geslachtsorganen is een raadsel; de rol van de klimaatverandering in relatie tot de tweede legsels evenzeer. Neem de koolmees en de kleine karekiet. De een standvogel, de andere lange-afstandstrekker. Beide beginnen eerder te broeden om zich aan het vervroegde voorjaar aan te passen. Maar de koolmees produceert minder vaak tweede legsels dan een paar decennia geleden en de kleine karekiet juist vaker. Net als de bonte vliegenvanger, een vogel die in Afrika overwintert en waarvan één exemplaar in 2010 opeens een tweede nest maakte. Vorig jaar deden – in het bos waar Both onderzoek doet - zelfs drie bonte vliegenvangers dat.

Raadsels, ondoorzichtige besluiten, voer voor wetenschappers. Heerlijk! Er blijft nog veel te ontdekken.

Een keur aan nestkasten

Veel vogels kunt u helpen met een nestkast. Elke soort heeft eigen woonwensen. Waar en hoe u de nestkast ophangt, is belangrijk, net als het type kast. Koop 'm bij Vogelbescherming, dan steunt u ook
het werk van de vereniging.

naar de webshop

Online cursus Vogels van Nederland

In deze gratis vogelcursus voor beginners leert u in 10 vogellessen veel bekende vogels en hun geluiden herkennen. Met handige tips, filmpjes en ezelsbruggetjes. U ontvangt direct de eerste vogelles per mail.

Schrijf u in voor gratis cursus

Meer over

voorjaar broeden vogelonderzoek monicawesseling

Deel dit bericht

Gerelateerde items

Populair