Navigatie overslaan
Alle berichten

Roodborst / Shutterstock

Door René de Vos
Journalist en redacteur Vogels

De Wandelaar, de Vogels en het Offer

Geplaatst op 6 december 2019

‘Wij waren het niet die de schepping naar de afgrond brachten, maar wij brengen dit zoenoffer opdat een nieuwe genesis geschreven zal worden. Beloof ons dat dit niet voor niets was.’ In dit winterverhaal rust een zware verantwoordelijkheid op vogelschouders.

Het was een krankzinnige december. De meest bizarre van minstens de afgelopen 1000 jaar. In de week van Sinterklaas was een hete woestijnwind West-Europa binnengedrongen. Op 6 december was het al 22 graden boven nul; een vreemd contrast met de korte dag en de laagstaande zon. En het werd nog gekker. Half december zaten we dik in de dertig en zelfs in de lange nachten zakte het kwik niet beneden de 20. Het leven raakte met de dag meer ontwricht.

‘Bedaar, bedaar,’ sprak een schelle stem tot de winterkoning. ‘Het komt goed, vertrouw op mij.’

Vreemde lichtheid steeg naar mijn hoofd

De aanvankelijke euforie had snel plaats gemaakt voor onrust. In zo’n gejaagde stemming van ongemak besloot ik kort voor Kerstmis om een dag-lange natuurwandeling te maken en zo het hoofd en gemoed wat te luchten. Ik liet mijn keus vallen op de Gelderse Vallei, nieuwsgierig naar wat de zomer in december met de natuur zou doen.

’s Ochtends om half negen, kort voor de zon zich liet zien, parkeerde ik net buiten Barneveld, op een plekje onder grote lariksen die voor die dag schaduw beloofden. De auto zou bij terugkomst redelijk koel zijn. Ik zwaaide de kleine Enrico Benetti rugzak over één schouder, deed drie stappen richting het zandpad en hield pardoes in. Midden op het pad waren een roodborst en een winterkoning verwikkeld in wat nog meest weg had van een spiegelgevecht. Ze gingen volledig in hun bezigheid op, maar het zag er niet echt agressief uit.

Een vreemde lichtheid steeg me naar het hoofd. ‘Bedaar, bedaar,’ klonk een schelle stem. ‘Het komt goed, vertrouw op mij.’ Ik draaide me half om; geen mens te zien. Mijn blik gleed terug naar de twee bakkeleiende vogeltjes. Ze staakten prompt hun gekrakeel en keken nu beide omhoog naar mij. Ze leken verrast noch verbaasd. ‘Meneer hier gaat op een mooie maar moeilijke missie. Enige afstand uwerzijds zou gepast zijn.’ Ik zweer dat het de roodborst was die me dat liet weten. Duizeligheid vloog me aan. Vogels praten niet. In elk geval geen bekakt Nederlands. Wat gebeurt er met me? Hallucineer ik? Is het ’t weer?

Mijn eerste gedachte was ‘een gewonde merel’, maar toen zag ik de witte vlek op de borst. ‘Beflijster!’

De winterkoning en de beflijster

De roodborst kneep één oog dicht – hoe dééd hij dat? – en keek me met het ander scherp aan. ‘U snapt het niet, hè? Ik zeg u, meneer, u boft. U boft buitengewoon bijzonder, want u bent dadelijk getuige van de opmaat tot een zeldzaam wonder, een zaak van offer en opstanding.’ En tegen de winterkoning: ‘Zijn we zover, heer Koning?’ Ik zweer op alle vogelbijbels dat ik hem dat letterlijk hoorde zeggen. Een verklaring heb ik niet. En ik kon de proef ook niet op de som nemen en de vogels iets vragen, want beide waren plots verdwenen, als opgelost in de ochtendhitte.

Ik liet me ruggelings tegen een larixstam zakken en probeerde vat te krijgen op het getol in mijn hoofd. Maar er viel niks zinnigs van te maken, anders dan dat de hitte me kort had bevangen. Een paar flinke slokken koel water uit mijn veldfles en ik voelde mijn hart wat tot bedaren komen. Ik besloot mezelf vooral niet gek te maken en gewoon aan mijn voorgenomen wandeling te beginnen.

Het pad liep door een plezierig gemengd bos. Ik begon te letten op vogelgeluiden, hoewel ik een zwakke amateur ben, maar het leek me ongewoon stil. Misschien waren de dieren nog meer ontregeld door het idiote weer dan de mensen. En juist toen ik de kijker maar eens aan de ogen zou zetten – misschien waren die meer van nut dan de oren – zag ik hem zitten: zwaar ademend en duidelijk in problemen. Hij hing wat scheef, als door één poot gezakt, in het droge bladerdek aan de voet van een zware beuk. Mijn eerste gedachte was ‘een gewonde merel’, want zo kende ik ze als er thuis weer eens een tegen een raam was gevlogen. Maar toen zag ik de witte vlek – en een pietsje bloedrood misschien? – op de borst. ‘Beflijster!’ riep mijn boekengeheugen; levend had ik er nooit eerder een gezien. Deze hing volgens mij ergens tussen dood en levend in. Automatisch boog ik me over hem heen. ‘Laat me, loopt u door alstublieft. Straks zal het wel beter gaan.’ De zin hing in de lucht tussen de vogel en mij. Hij begon zenuwachtig te trillen en ik voelde hoe mij dezelfde neiging bekroop. Ik wilde iets doen, helpen – maar wat?

Uitverkoren vogels

‘Doet u dat vooral niet! Bezondig u niet aan ritueelschennis, bid ik u.’ Ik kende die stem, maar toch schrok ik me rot. En toen verscheen hij vanachter de beukenstam: de roodborst. ‘Wat heb ik u nu gezegd, meneer? Nou?’ De stem was schel, autoritair, pedant, neerbuigend, maar vooral boezemde hij een zekere angst in. Zo’n klein rotvogeltje, en toch..!

‘Ik zal u enige helderheid verschaffen, al ben ik u niks verschuldigd. U kruist toevallig het pad dat wij, uitverkoren vogels, mogen gaan om de Grote Opstanding te vervullen. U heeft heer Koning gezien: hij is inmiddels opgegaan in heer Bef. Dat is geen sinecure, meneer. Dus ik bid u: laat heer Bef even bekomen. Hij heeft er recht op. Er rest hem nog maar weinig tijd tot zijn volgende beproeving.’

Toen de roodborst was uitgesproken – ik nam aan dat hij het was, al zag ik niets wat op spreken duidde – stond mijn verstand inmiddels stil en bonkte het bloed in al mijn vaten. Ik was er beroerd aan toe: terug naar de auto! Welke kant was dat? De bomen tolden om me heen en ik zakte op de knieën.

Het ongewisse tegemoet

De duisternis trok op en ik werd iets gewaar dat mijn handen bleken te zijn. Het lukte me om me op te drukken en dan stond ik – wankel, dat wel – weer op mijn voeten. Door het suizen in mijn hoofd heen kwam de herinnering terug. Maar voorzichtig om me heen kijkend was er geen spoor meer van de vogels. Net als de vorige keer. Zonder sprekende vogels in de buurt en in de weldadige luwte van de enorme beuk – nog vol in het blad, zij het dor en bruin – ordende mijn geest zich wonderlijk snel en eenmaal op toeren tekenden zich twee mogelijkheden af: omkeren en me veilig mengen onder de mensen in een min of meer alledaagse werkelijkheid – het weer even daargelaten – of verder het pad volgen van mijn voorgenomen wandeling, met het risico dat ik weer bevangen zou worden. Voordat de gedachten woorden waren geworden had ik al gekozen. Ik hing mijn rugzakje om en ging op pad: het ongewisse tegemoet.

Ergens diep in mijn reptielenbrein had ik het voorvoeld: ik zou een nieuwe ontmoeting hebben. De roodborst had gezegd dat ik getuige zou zijn van een ‘opmaat tot een zeldzaam wonder, een zaak van offer en opstanding’. Dan moest er toch meer zijn dan een pedante roodborst en een amechtige beflijster, ook al leken ze te kunnen praten. En natuurlijk gebeurde het ook.

Er deed zich een explosie van veren aan mijn voeten voor: de houtsnip.

De houtsnip

Ik was nauwelijks twee- of driehonderd meter gevorderd of er deed zich een explosie van veren aan mijn voeten voor. Zo leek het. Het volgende ogenblik schoten die veren als een slordige bruine bal vol uitsteeksels van me vandaan. Met veel rumoerig gefladder haastte zich een flinke vogel het zandpad af. Hij vloog niet echt, hij rende niet echt – het was meer een projectiel. Ik slikte mijn hart terug naar beneden en raakte snel over de schrik heen. De houtsnip had zich stil en onbeweeglijk gedrukt tot het allerlaatste moment; een fractie van een seconde later zou ik met mijn volle gewicht op zijn tere kop en snavel hebben gestaan. Die snavel, duidelijk te zien in de wirwar van tuimelend bruin, had direct de naam bij me binnen gebracht. Ik had vaker houtsnippen in het late najaar of de winter gezien en altijd vlogen die pas weg – zonder een ander geluid dan van die vluchtende veren – als ik bijna op ze zou staan.

Opgaan in een hogere orde

Deze snip hield het niet lang vol; ik zag hem dertig meter verder plots ineenzakken en zwaar hijgend, de vleugels gespreid, op het zandpad blijven liggen. Ik naderde hem heel behoedzaam en bleef op twee meter afstand staan. De vogel wíst dat ik daar stond, dat kon niet missen, maar hij draaide zijn kop niet om. ‘U leert waarachtig’, klonk het. Ik keek omhoog. De roodborst had voor de afwisseling een lage tak in een eik uitgekozen; eerste rij loge. ‘U heeft zojuist bijna Heer Snip betrapt.’ Hij wachtte even na dat ‘betrapt’, alsof hij een woordgrap overwoog. Maar hij ging verder. ‘Luister goed, meneer. Heer Snip is de derde van hen die opgaan in een grotere, een hogere zogezegd. En als ik zeg ‘opgaan in’ dan bedoel ik ook precies dat. Heer Koning verblijft momenteel al enige tijd in Heer Bef, en Heer Bef verblijft sinds kort in Heer Snip. Ook heer Snip zal binnenkort opgaan in een hogere orde.’

Ik zou me moeten afvragen waar ik in ‘s hemelsnaam in verzeild geraakt was, maar in plaats daarvan dacht ik: ‘Wie is de volgende pechvogel, en welk spel speelt die roodborst?’ Misschien was dat denken hardop gebeurd, in elk geval hoorde ik de roodborst reageren: ‘Niet zo laatdunkend, meneer. Op mij rust de zware taak van transitieregisseur. Dat alles volgens het voorgeschreven scenario verloopt, zogezegd. Ik sta de spelers bij in hun rol in deze Grote Reis, tot en met het moment van transitie: verdamping tot ijle ether, culminerend in…’ Hij stokte abrupt. ‘Genoeg! Ik heb al te veel gezegd. Heer Snip, laat ons gaan; het laatste pad.’

Het bizarre fenomeen van sprekende vogels

De twee vogels gingen er schielijk vandoor, wat een nogal komisch gezicht was. De snip had zich nog niet helemaal hersteld en hink-fladderde een laverende koers. Maar hij was als eerste vertrokken en zijn snelheid was net iets te groot voor de roodborst om de snip waardig bij te houden. Roodborsten kunnen best snel zijn, maar dan verliezen ze aan deftigheid. Deze roodborst probeerde een acceptabel midden te vinden, wat hem maar matig af ging. Niettemin waren ze spoedig verdwenen achter een lichte verhoging in het zandpad.

Ik stond nog na te denken over de betekenis van roodborst’ woorden. Transitie, opgaan in, opstanding; het klonk nogal mysterieus, om niet te zeggen: metafysisch. Maar ik was intussen voldoende over mijn schrik en verbijstering heen om nu ook te willen weten waar en hoe dit ging eindigen. Ik zette er de pas in op het zandpad en liet mijn gedachten buitelen over dat bizarre fenomeen van sprekende vogels. Het kón doodgewoon niet: het stemapparaat van vogels is absoluut ongeschikt voor spraak. Bovendien: het was onwaarschijnlijk dat ze zoiets complex als taal zouden beheersen.

Maar ze zouden misschien woordloze gedachten of emoties kunnen overbrengen op andere wezens. Rupert Sheldrake schoot voorbij; de Britse celbioloog van de morfische resonantie: hoe duiven altijd de weg naar huis terugvinden, waarom honden weten dat hun baasje binnen een paar minuten thuis zal komen, of waarom insecten met duizenden tegelijk perfect samenwerken.

De casarca zei: 'Iek heb net een houtsnip op, iek bedoel opgenomen. Iek kan u zeggen dat het een zware last is.'

De Casarca

Ik hield abrupt mijn pas in; dáár, recht vooruit! Het was niet de schok van wéér een vogel op mijn pad, maar van wát voor vogel. Een moment twijfelde ik; harlekijneend of casarca? In elk geval een exotische verschijning, ongerijmd in dit Nederlandse cultuurbos. Casarca, besloot ik, want overwegend roestkleurig. Het was een knaap van een jongen, zo groot als een brandgans en toen hij het op een waggelen zette – míjn richting uit! – kreeg ik het benauwd. Maar vlak voor me ging de eend vol in de remmen, waarachtig een stofwolkje opwerpend. ‘Menier, menier’, kraakte het. ‘Heeft u toevallig een klein rood vogeltje gezien? Zo even stonden we hier nog te … uh…’ Hij aarzelde kort. ’Nou ja, dat gaat u niet aan, maar het is belangrijk dat iek hem terugvind. Iek heb zojuist, uh, ja hoe zal ik het zeggen… doet er ook niet toe.’ Hij zweeg, nu wat langer. ‘Nou ja goed, iek heb nog maar net een houtsnip op, iek bedoel opgenomen, ach u hoeft dat ook helemaal niet te weten. Maar iek kan u wel zeggen dat het een knap zware last is. En dat rode vogeltje, een roodborst als u dat wat zegt – zegt u dat wat?’

Ik knikte. ‘Nou goed, iek kan me alleen maar ontlasten – of laat iek zeggen: iek krijg alleen verlichting als die rode duiveltje me het pad wijst.’ En in één adem door, terwijl hij zijn blik verlegde: ‘Ah, daar bent u heer Borst. Ik vertelde deze menier hier net hoe voortreffelijk u zich van uw moeilijke taak kwijt.’ De roodborst was van achter langs me heen gehipt. Hij liet niet merken of hij iets van de eerdere woorden van de casarca had opgevangen. Hij hipte ook de eend voorbij en riep over zijn schouder – hebben roodborsten eigenlijk schouders? – ‘Volgen!’ Wij gehoorzaamden.

Nog steeds 08.28 uur

Het was een onwezenlijke optocht: de hippende roodborst voorop, op twee meter gevolgd door de schommelende casarca, en dan ik die in rustige wandelpas de twee gemakkelijk bijhield. Zo wandelden, waggelden en hipten we een tijdlang voort, zwijgend. De roodborst zweeg omdat hij duidelijk de pest over iets in had, de eend zweeg omdat hij al snel tekenen van vermoeidheid en ademnood vertoonde en ik was te zeer in tollende gedachten verwikkeld. Ik had me allang in de ongerijmdheid van de situatie geschikt, maar sommige zaken knaagden. Dit pad bijvoorbeeld. Bijna ongemerkt was het steeds breder geworden en intussen liepen we in een kleine zanddelta. Iets verderop, zag ik, waaierde hij zelfs uit tot een golvende zandzee. Kootwijk was uitgedijd tot een serieuze woestijn!

Tegelijk leek ook de temperatuur alle remmen te hebben losgegooid. Ik schatte het ruim boven de dertig graden, terwijl het hooguit tien uur kon zijn. Een blik op mijn horloge; het wees twee minuten voor half negen aan: het tijdstip waarop ik de auto had afgesloten! Er leek een akelig insect van mijn nek naar mijn stuitje te rennen.

‘Iek! Pas toch op, menier!’ Ik was tegen de eend aangelopen, te zeer worstelend met mijn verbeelding om op mijn voorgangers te letten. De roodborst had kennelijk halt gehouden. ‘We zetten ons daar’, wees hij. Rechts van ons stond een eenzame pinus nigra, de oude stam tot de helft verdronken in stuifzand; de doorhangende onderste takken waren deels al verzwolgen. Het geheel kon, hoe grillig van vorm ook, goed als een dak boven het hoofd dienen. En zo betrokken we hem.

Het nest was één vuurzee en de arend leek zich, half brandend, los te maken en vrij te zweven.

De steenarend

We zaten daar een tijdje zwijgend tot de roodborst – ik lieg er geen woord aan – een diepe zucht slaakte. ‘Het moment is daar’, zei hij. Hij klonk zó ernstig dat het insect weer langs mijn ruggengraat afdaalde. ‘Bent u bereid en gereed, heer Casarc?’, vroeg de roodborst, en zonder het antwoord af te wachten tegen mij: ‘U blijft hier, meneer.’ Hij maakte een vederlicht sprongetje en belandde op de rug van de casarca. ‘Voorwaarts in gestrekte pas; er wordt op ons gewacht!’

Het duo verdween met een flinke snelheid en ik zette me tegen de stam van de den, drukte mijn kijker tegen de ogen en was vastbesloten ze niet uit het oog te verliezen. Het beeld sidderde van de hitte boven het zand; al gauw was elk idee van afstand onmogelijk. Waar moest dat heen? Dan zag ik het: achter een volgende fata morgana van drijfzand doemde een donkere wolk op die snel de vorm van een boom aannam, uitdijend tot iets reusachtigs dat zelfs op deze afstand de proporties van een atomaire paddenstoel aannam. Maar het was toch echt een boom.

Ik kon nog net de contour van de casarca onderscheiden die achter of misschien wel in de boomstam verdween. De roodborst was te nietig voor de kijker. Gespannen bleef ik turen of de eend nog ergens zou opdoemen, maar tot mijn verrassing bewoog er na enige tijd iets in de uiterste top van de boom, niet aan de grond. Ik stelde mijn kijker zo secuur mogelijk bij en liet hem van schrik bijna vallen: over bijna de volle breedte van de top werd een enorm nest van grove takken zichtbaar. Midden in het nest rees een gestalte op. Het beeld van een broeder in pij drong zich aan mij op. De armen bewogen onder de pij en ontvouwden zich tot herkenbare vleugels. De kap draaide zich een kwartslag en nam het silhouet aan van een roofvogel, de haakbek scherp afgetekend. Een schok van herkenning: steenarend!

Een offer voor een nieuw begin, een schone lei

Een heftige emotie gloeide door mijn lijf. Ik rook een vreemde menging van salie en rozemarijn. De helderschelle stem van de roodborst klonk in mijn hoofd: ‘Aanvaard deze offers, heer Arend, opdat onze missie voltooid moge worden. In het offer wordt de belofte geboren. Een nieuw begin, een schone lei. Een onbevlekte doorstart. Wij waren het niet die de schepping naar de afgrond brachten, maar wij brengen dit zoenoffer opdat een nieuwe genesis geschreven zal worden.’

Ik hield de kijker verkrampt aan mijn ogen. De hittetrillingen leken intenser te worden. En er was nu vuur zichtbaar. Eerst in de vorm van kleine kronkelende vlammen aan de voet van het nest, maar al snel vraten ze zich omhoog en reikten nu naar de trotse figuur in het nest. Het leek hem niet te deren. Ik zag de veren vlam vatten en rook in mijn verbeelding de smerige geur. Het nest was nu één vuurzee en de arend leek zich, half verteerd, half brandend, los te maken van de helse vlammen en vrij te zweven boven de verwoesting van het nest. Zijn vorm was vervaagd tot iets waar ik geen ander woord voor heb dan ectoplasma: een substantie die meer energie dan vorm is. Het was een overweldigend verschijnsel en het had buitengewoon angstaanjagend kunnen zijn. Zelfs op deze afstand. Maar in plaats daarvan werd ik opgenomen door een golf van weldadigheid en dankbaarheid. De roodborst schetterde in mijn oor: ‘Geloof ons dat dit echt was. En beloof ons dat dit niet voor niets was.’

Meer over

renedevos roodborst

Deel dit bericht