Geplaatst op 28 juli 2026
Tekst: Jaap Schröder
Boven steden vult de lucht zich op mooie zomeravonden met grote groepen gierzwaluwen. Ze slalommen alle kanten op en zijn daarom lastig nauwkeurig te tellen. En als dat al lukt, denk dan niet dat je het aantal broedparen kunt bepalen door het totaal aantal door twee te delen, zoals een tijdlang wel in zwang was. Sommige ouders zitten namelijk op het nest en bovendien bevat zo’n vliegende groep gierzwaluwen veel ongepaarde jongeren.
Ondanks dat het niet gemakkelijk is om gierzwaluwen te tellen, toch staat onomstotelijk vast dat het aantal gierzwaluwen in Europa daalt. Sinds 1980 is het aantal broedparen naar schatting met circa 20 procent afgenomen. In Nederland houdt SOVON de stand sinds 2007 bij. Ook in ons land daalde het aantal broedparen sindsdien met zo’n 16 procent. Mogelijk houdt die daling verband met een afnemend insectenaanbod. Maar echt harde cijfers over de insecten waarmee gierzwaluwen zich voeden, ontbreken. Dat geldt niet alleen voor het insectenaanbod in Nederland, maar ook voor het aanbod in Afrika waar gierzwaluwen ongeveer twee derde deel van het jaar verblijven.
Vermoedelijk nemen de broedparen ook af door verlies van geschikte plekken om hun nest te maken. Van origine is de gierzwaluw een rotsbroeder en onze gebouwen functioneerden lange tijd goed als kunstmatige rots. Door steeds strenger wordende bouwvoorschriften en het groeiend belang van woningisolatie slinkt het aantal geschikte kieren en spleten waarin genesteld kan worden. Vergeet bovendien de sloop van oude gebouwen niet waarbinnen gierzwaluwen voorheen een nestplaats vonden.
Om dat soort verliezen te compenseren, zijn in Nederland inmiddels duizenden kunstnesten aangebracht voor gierzwaluwen, vaak in het kader van wettelijke verplichtingen. Gierzwaluw-fan Jaap Langenbach, die er zijn persoonlijke missie van heeft gemaakt de kunstnesten te registreren, schat het aantal nestkasten in ons land op minimaal 56.000 (Langenbach, 2026a), een getal van dezelfde grootte als het vermoedelijke aantal broedparen (45.000-70.000, aldus SOVON (2026)).
Opvallend genoeg is slechts een fractie van de nestkasten en neststenen bewoond. Het duurt meestal namelijk vele jaren voordat een kast ontdekt wordt en een gierzwaluw de vlucht naar binnen durft te wagen. Gierzwaluwen blijven bijzonder trouw aan hun nestplek, ook als één van de partners sterft en vervangen wordt. Een nieuw verblijf is dus pas nodig als een oude nestplek verdwijnt en de vogels noodgedwongen een andere plek moeten zoeken, of als een jonge vogel voor het eerst gaat broeden.
Helaas hangen veel nestvoorzieningen op verkeerde plaatsen (Langenbach, 2026b). De kasten hangen bijvoorbeeld regelmatig te laag. Qua hoogte is het advies minimaal 3 meter aan te houden maar liever hoger. Gierzwaluwen zijn ware luchtacrobaten, maar hebben een groot stuk open ruimte om de nestplaats nodig om vrij te kunnen aan- en uitvliegen, en daarbij ‘vaart’ te maken. Om het benodigde stukje vrije val mogelijk te maken, is het daarom ook belangrijk dat de vliegroute niet wordt geblokkeerd door bijvoorbeeld hoge bomen of tegenoverliggende gevels.
En wat gedurende de laatste twee hittegolven pijnlijk duidelijk werd: veel nestvoorzieningen bevinden zich bovendien op plekken waar het veel te heet wordt door de zon. In dat geval sterven gierzwaluwkuikens op het nest of verlaten ze het nest van pure ellende. Ze belanden dan op straat.
Uit een analyse van de gegevens van vogelasiels is gebleken dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de maximumtemperatuur in juli en het aantal bij hen binnengebrachte jonge gierzwaluwen (Schröder, 2024a). Omdat gierzwaluwen trouw zijn aan hun nestplaats kan zo’n hittedrama zich jaar in, jaar uit herhalen.
Tot recentelijk dachten we dat het alleen aan de zuidzijde van gebouwen te heet kan worden. Het standaard advies voor het plaatsen van nestvoorzieningen is daarom om dat met de invliegopening op het noorden, oosten of noordoosten te doen. Maar inmiddels weten we dat ook west- en oostzijden tot oververhitte nesten kunnen leiden. Een temperatuur binnen de nestruimte van circa 42 graden is fataal, maar langere blootstelling aan een temperatuur vanaf 38 graden is dat vermoedelijk ook al (zie referenties in Hoekstra et al (2023) en Schröder (2024b). De vraag is daarom bij welke buitentemperatuur de temperatuur binnen de nestruimte naar dat niveau van rond de 40 graden stijgt.
Natuurlijk hangt de uiteindelijke nesttemperatuur ook nog af van de wind en van het materiaal waarvan de nestkast is gemaakt én van de constructie van zowel de gevel als de nestkast.
Maar als we de toegenomen kans op hittegolven in gedachten houden en daarbij ook beseffen dat de bebouwde omgeving vaak nog wat warmer is dan de temperatuur rond KNMI-weerstations in het buitengebied, blijven eigenlijk alleen noordgevels tijdens extreme hitte over als veilige plekken voor het aanbrengen van kunstmatige nestvoorzieningen. Op alle andere windrichtingen is dat alleen zo bij absolute zekerheid over voldoende beschaduwing.
Tot enige jaren geleden werd gedacht dat het ook onder dakpannen veilig broeden was voor gierzwaluwen. Daartoe waren pannen te koop die via een koepeltje toegang boden tot de ruimte tussen de pan en het dakbeschot. Uit tal van metingen blijkt echter dat het in die tussenruimte bij zonnig weer circa 60 graden kan worden (Schröder, 2024b). De plaatsing van dat soort dakpannen wordt daarom sterk afgeraden.
Lijkt er sprake van hittestress te zijn bij nestvoorzieningen aan jouw huis of in jouw buurt? Neem dan voor nader advies contact op met een gierzwaluwdeskundige, zoals jouw lokale stadsecoloog of kenners van een gierzwaluw-/vogelwerkgroep.
Goed stedelijk groen zorgt voor verkoeling in de zomerhitte, zuivert de lucht en biedt volop ruimte aan mede-stadsbewoners, zoals huismus, gierzwaluw, merel of gewone dwergvleermuis. Kijk voor inspiratie en oplossingen op
Stadsvogeladviseurs zetten zich in voor de bescherming van stadsvogels door partijen binnen hun eigen gemeente te informeren en te adviseren over vogels en vogelvriendelijk beleid. Gemeenten en bouwondernemingen kunnen contact opnemen met een stadsvogeladviseur in de buurt.