Navigatie overslaan

Dit wil je weten over de vogeltrek

Wat is vogeltrek?

Vogeltrek betekent dat vogels in bepaalde periodes van het jaar van het ene gebied naar het andere vliegen. Vaak gaat het om een reis tussen een gebied waar ze broeden en een gebied waar ze overwinteren. Veel vogels trekken in het voorjaar naar het noorden en in het najaar weer naar het zuiden, maar trek kan ook in andere richtingen en in andere periodes van het jaar plaatsvinden. Veel steltlopers trekken bijvoorbeeld al in juli en augustus door ons land. Grote zilverreigers trekken vanuit onder andere Oost-Europa naar Nederland om hier te overwinteren.

Je kunt vogeltrek op verschillende manieren indelen. De bekendste is seizoentrek: vogels verplaatsen zich tussen hun broedgebied en hun overwinteringsgebied. Daarin zijn er korte-, middellange- en langeafstandstrekkers. Zo trekken boerenzwaluwen die bij ons broeden naar West- en Centraal-Afrika, overwinteren tjiftjaffen voornamelijk in Zuid-Europa en Noord-Afrika en trekken 'onze' veldleeuweriken naar Engeland en Frankrijk. Er zijn ook verschillen binnen vogelpopulaties. Zo blijft ongeveer 20 procent van de ooievaars die in Nederland broeden hier overwinteren, terwijl de rest van de populatie wel op trek gaat.

Daarnaast zijn er zogeheten invasies. Daarbij trekken in sommige jaren veel meer vogels dan normaal naar gebieden waar ze anders weinig voorkomen. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer er in het noorden weinig voedsel beschikbaar is. In Nederland kunnen we dan in de winter bijvoorbeeld grote aantallen pestvogels zien. Dergelijke invasies betreffen vaak maar één soort.

Er bestaat ook vorsttrek. Als het langdurig koud is en voedsel door ijs en sneeuw moeilijk bereikbaar wordt, trekken vogels naar gebieden waar de omstandigheden milder zijn. Ze trekken bijvoorbeeld richting de Nederlandse kust. Houdt de kou aan, dan kunnen ze verder trekken. Een deel van de blauwe reigers trekt bij strenge winters bijvoorbeeld naar Engeland of Frankrijk, terwijl andere in Nederland blijven en bij vorst op zoek gaan naar open water.

Verder zijn er ook kortere verplaatsingen. Bij voedsel- en slaaptrek vliegen ganzen bijvoorbeeld tussen hun slaapplaats en een plek waar ze voedsel vinden. Aan het einde van de dag keren ze terug naar een gezamenlijke slaapplaats. Dit kun je het hele jaar door waarnemen, maar het meest in het winterhalfjaar.

Vogels trekken vooral om optimaal gebruik te maken van het voedselaanbod. In noordelijke gebieden is in de winter bijvoorbeeld minder voedsel beschikbaar. Insecten en wormen zijn moeilijker te vinden en voedsel kan door sneeuw of vorst onbereikbaar worden. Bovendien zijn de dagen kort, waardoor er minder tijd is om voedsel te zoeken. Daarom trekken veel vogels naar gebieden waar ze wel genoeg voedsel kunnen vinden. In de zomer is er op de noordelijke toendra’s juist veel voedsel te vinden en zijn de dagen extra lang.

Vogels trekken naar gebieden die passen bij hun manier van leven. Ganzen kunnen in de winter bijvoorbeeld voedsel vinden op Nederlandse graslanden en akkers. Steltlopers zoals kanoeten, rosse grutto’s en bonte strandlopers vinden in de Waddenzee veel voedsel op het wad. De Waddenzee is daardoor een belangrijke tussenstop tijdens hun lange trek.

Er zijn verschillende trekstrategieën. Langeafstandstrekkers trekken bijvoorbeeld helemaal naar Afrika en reageren vooral op veranderingen in de daglengte. Korteafstandstrekkers blijven dichter bij hun broedgebied en reageren sterker op het weer. Blijft het in het najaar lang zacht, dan kunnen ze langer blijven.

Standvogels trekken helemaal niet weg. Zij blijven het hele jaar in hetzelfde gebied en kunnen in het voorjaar meteen beginnen met broeden. Ze kunnen daardoor als eerste een goed broedterritorium bezetten. Daar staat tegenover dat ze bij een strenge winter in het nadeel zijn.

De meeste trek vindt plaats in het voorjaar en najaar. De precieze periode verschilt sterk per soort. Sommige vogels vertrekken al in juli uit ons land, zoals de gierzwaluw, terwijl andere soorten pas later in het najaar wegtrekken. Kraanvogels trekken bijvoorbeeld vooral in november door ons land en kunnen tot in december nog worden gezien. Ook in het voorjaar komen soorten op verschillende momenten terug. De boerenzwaluw is een langeafstandstrekker die al vanaf maart in Nederland kan aankomen, terwijl de koekoek en wielewaal pas later uit Afrika terugkeren.

De timing van de trek heeft niet alleen met de afstand te maken. Ook voedsel speelt een belangrijke rol. De zwarte stern voert de jonge vogels bijvoorbeeld grote insecten, zoals libellen, en arriveert vooral eind april en begin mei in ons land. In het voorjaar moeten vogels bovendien op het juiste moment terug zijn om een goed broedterritorium te bezetten. Ook dat speelt een rol.

Hoe vinden vogels hun weg?

Vogels gebruiken verschillende manieren om tijdens de trek hun weg te vinden. Ze combineren deze manieren om te bepalen welke richting ze op moeten en welke route ze volgen.

Ze gebruiken bijvoorbeeld de zon en de sterren. Overdag gebruiken vogels de stand van de zon om hun richting te bepalen. Vogels die ‘s nachts trekken, gebruiken daarvoor de sterrenhemel.

Ook gebruiken veel vogels het aardmagnetisch veld als een soort kompas. Waarschijnlijk kunnen ze dit veld waarnemen met lichtgevoelige stoffen in het netvlies van hun ogen. Wetenschappers onderzoeken nog hoe dit precies werkt.

Daarnaast gebruiken vogels herkenningspunten in het landschap, zoals rivieren, meren, bergketens en kustlijnen. Sommige vogels leren tijdens eerdere trektochten herkenningspunten kennen en kunnen hun route daardoor steeds beter vinden.

Tot slot kan het reukvermogen helpen bij het vinden van de weg. Vooral sommige zeevogels, zoals albatrossen en stormvogels, hebben een sterk reukvermogen. Ze gebruiken geuren bijvoorbeeld om voedsel op zee te vinden en hun broedkolonie terug te vinden.

Bij veel trekvogels is de richting waarin ze moeten trekken voor een belangrijk deel aangeboren. Jonge vogels kunnen daardoor hun eerste trektocht maken zonder dat hun ouders meegaan. Ze kennen niet vooraf de hele route, maar hebben wel een aangeboren gevoel voor de richting waarin ze moeten trekken.

Tijdens hun eerste trektocht doen jonge vogels ervaring op. Ze kunnen bijvoorbeeld herkenningspunten in het landschap leren kennen en hun route in volgende jaren steeds beter vinden.

Bij sommige vogels leren de jongen de route wel van hun ouders. Ganzen, kraanvogels en kleine zwanen zijn daar voorbeelden van. De jongen trekken met hun ouders mee en leren zo de route naar hun overwinteringsgebied.

Vogels kunnen tijdens de trek van hun normale route afwijken. Dat kan verschillende oorzaken hebben. Sterke wind kan vogels uit koers blazen en slecht weer, zoals mist en zware regen, kan ervoor zorgen dat ze gedesoriënteerd raken. Vooral jonge, onervaren vogels lijken vaker af te dwalen.

Vogels kunnen ook ‘doorschieten’. Ze houden hun trekdrang soms langer aan dan normaal en trekken daardoor verder door dan gebruikelijk. Zo kan een vogel die onderweg is naar Zuid-Europa bijvoorbeeld in Nederland terechtkomen.

Vogels die ver buiten hun normale verspreidingsgebied terechtkomen, worden dwaalgasten genoemd. Maar niet iedere dwaalgast is letterlijk verdwaald. Sommige soorten lijken nieuwe trekroutes te volgen, mogelijk onder invloed van klimaatverandering. De bladkoning is een voorbeeld waarbij dit mogelijk aan de hand is.

Vogels kiezen niet zomaar de kortste route naar hun eindbestemming. Ooievaars en veel roofvogels gebruiken bijvoorbeeld thermiek: opstijgende warme lucht waarmee ze zonder veel vleugelslagen hoogte kunnen winnen. Thermiek ontstaat boven land. Daarom kiezen deze vogels vaak routes over land en steken ze de zee over op plekken waar die relatief smal is. Ook veel andere vogels kiezen liever routes over land, omdat er boven zee weinig mogelijkheden zijn om te rusten of voedsel te vinden.

Smalle zeestraten worden daarom veel gebruikt door vogels. Dit zie je bijvoorbeeld bij Falsterbo in Zweden, de Straat van Gibraltar, de Bosporus en de laars van Italië. Op deze plekken komen grote aantallen vogels samen voordat ze een stuk zee oversteken.

Maar dat geldt niet voor alle vogels. Sommige soorten zijn juist aangepast aan lange vluchten boven zee en kunnen honderden of zelfs duizenden kilometers zonder tussenstop afleggen. De route die een vogel kiest, hangt dus sterk af van de soort en de manier waarop die zich verplaatst.  

Trekvogels die via de Straat van Gibraltar naar gebieden ten zuiden van de Sahara trekken, moeten vervolgens de Sahara oversteken. Dat is een zware tocht: het is er heet en droog en er zijn maar weinig plekken om te rusten en voedsel te vinden. Daarom slaan vogels vóór de oversteek extra energie op en wachten ze bij voorkeur op gunstige wind.

Hoe verloopt de reis?

Een vogel bereidt zich op verschillende manieren voor op de trek. In de periode voor de trek gaat een vogel veel meer eten en legt die een vetreserve aan. Dit wordt opvetten genoemd. Sommige trekvogels eten zo veel dat hun gewicht bijna kan verdubbelen. Een kanoet weegt in de winter ongeveer 120 gram, terwijl het gewicht vlak voor de trek kan oplopen tot meer dan 200 gram.

Ook het lichaam van een vogel past zich aan. Tijdens het opvetten worden de maag en darmen van sommige soorten groter, zodat de vogel in korte tijd veel voedsel kan verwerken. Andere lichaamsdelen, zoals de geslachtsorganen, worden juist kleiner omdat ze niet nodig zijn. Vlak voor een lange vlucht kunnen de maag en darmen weer krimpen en groeien de vliegspieren. Ook kan het bloed meer hemoglobine bevatten, waardoor het meer zuurstof naar de spieren kan vervoeren.

Daarnaast krijgen veel vogels vóór de trek nieuwe veren. Tijdens de rui vervangen ze hun oude, versleten veren door nieuwe. Veranderingen in de hormonen zorgen ervoor dat de trekdrang toeneemt.

Dat verschilt sterk per soort. Sommige vogels leggen tijdens hun trek maar een paar honderd kilometer af, terwijl andere tienduizenden kilometers per jaar reizen.

De noordse stern is de echte kampioen. Deze vogel broedt in het noordpoolgebied en overwintert rond Antarctica. In totaal kan een noordse stern jaarlijks 30.000 tot 40.000 kilometer afleggen. Tijdens zijn leven is dat een afstand van meer dan één keer naar de maan en terug!

Ook is er verschil tussen vogels die onafgebroken vliegen en vogels die onderweg tussenstops maken. Een jonge rosse grutto vloog in 2022 maar liefst 13.560 kilometer onafgebroken, van Alaska naar Tasmanië. Hij deed daar 11 dagen en 1 uur over, zonder onderweg te stoppen om te eten of te rusten. Andere trekvogels leggen hun reis juist in etappes af. Lepelaars trekken bijvoorbeeld van moeras naar moeras en leggen per keer een paar honderd kilometer af. Tussendoor rusten ze uit en zoeken ze voedsel om weer op krachten te komen.

Hoe ver een vogel daadwerkelijk vliegt, hangt ook af van het weer en andere omstandigheden onderweg. Wind kan een vogel helpen om sneller en efficiënter te vliegen, maar kan hem ook uit koers brengen. Vogels kunnen hun reis daarom onderbreken en wachten op betere omstandigheden.

Sommige vogels trekken in groepen, terwijl andere alleen of in kleine groepjes trekken. Ganzen en kraanvogels trekken bijvoorbeeld samen in V-formaties. Bij deze soorten trekken ouders en jongen ook samen. De jongen leren zo de trekroute kennen.

De koekoek is een bijzonder voorbeeld van een vogel die zelfstandig trekt. Jonge koekoeken groeien op in het nest van een andere vogel en krijgen daar voedsel van hun ‘pleegouders’. Ze vertrekken pas maanden na hun (biologische) ouders naar Afrika en moeten de weg dus helemaal zelf vinden.

Veel kleine vogels trekken ’s nachts. Dat heeft verschillende voordelen. ’s Nachts zijn er minder roofdieren en staat er vaak minder wind. De koperwiek is bijvoorbeeld vooral ’s nachts onderweg. Vinken en spreeuwen daarentegen zijn dagtrekkers. Ook roofvogels en ooievaars trekken overdag, omdat ze gebruikmaken van thermiek die alleen overdag ontstaat.

Ganzen, kraanvogels en sommige andere vogels vliegen tijdens de trek in een V-formatie. Dat doen ze om energie te besparen. Bij ganzen kan die besparing oplopen tot 10 tot 14 procent.

Als een vogel met zijn vleugels slaat, ontstaan aan de vleugeltoppen draaiende luchtstromen. Een vogel die op de juiste plek achter hem vliegt, krijgt daarvan als het ware een zetje mee. Daardoor hoeft die minder energie te gebruiken om te vliegen. De afstand tussen de vogels en het ritme van hun vleugelslagen zijn daarbij belangrijk.

Het is dus echt teamwork. De vogel die voorop vliegt, moet de meeste inspanning leveren. Daarom wisselen de vogels regelmatig van plek. Tijdens het vliegen roepen ganzen en kraanvogels ook naar elkaar. Zo houden ze contact en stemmen ze hun vlucht op elkaar af.

Een V-formatie is overigens geen vaste regel. Vogels kunnen bijvoorbeeld ook in een ‘halve V’ vliegen. Dan gelden dezelfde principes voor energiebesparing.

Trekvogels vliegen op verschillende hoogtes. Dat hangt onder meer af van de soort, het weer en de wind. De meeste vogels trekken op enkele honderden meters hoogte, maar sommige vliegen veel hoger.

Ganzen kunnen tijdens de trek op grote hoogte vliegen. De Indische gans trekt bijvoorbeeld over de Himalaya en kan tot ongeveer 7.300 meter hoogte komen. Ook strandlopers kunnen hoog vliegen. Bonte strandlopers en kanoeten zijn tijdens de trek op ongeveer 7.000 meter hoogte waargenomen. Grutto’s kunnen tijdens hun trek tot bijna 6.000 meter hoog vliegen.

Zangvogels vliegen meestal lager, vaak tot maximaal 1500 meter. Dagtrekkers zoals spreeuwen trekken op ongeveer 900 meter.

De vlieghoogte kan tijdens de trek veranderen. Vogels kunnen bijvoorbeeld hoger of lager gaan vliegen om gebruik te maken van gunstige wind. Hoe hoger een vogel vliegt, is dus niet alleen een kwestie van soort, maar ook van de omstandigheden onderweg.

Veel trekvogels eten onderweg. Ze maken daarvoor tussenstops op plekken waar veel voedsel te vinden is, zoals de Waddenzee. Daar kunnen ze hun energievoorraad aanvullen voordat ze verder trekken. Zulke voedselrijke plekken zijn daarom essentiële tussenstations op de trekroute.

Sommige soorten vliegen non-stop van hun broedgebied naar hun overwinteringsgebied en leggen daarbij duizenden kilometers af. Zij teren tijdens die vlucht op het vet dat ze vóór vertrek hebben opgeslagen. Bij de verbranding van vet komt naast energie ook water vrij. Dit water helpt de vogel om tijdens de vlucht zijn vochtniveau op peil te houden.

Bij grote fregatvogels is aangetoond dat ze tijdens het vliegen kunnen slapen. Onderzoekers maten met EEG de hersenactiviteit van fregatvogels die tot tien dagen boven zee vlogen. De vogels sliepen tijdens de vlucht korte periodes, soms met één hersenhelft en soms met beide hersenhelften tegelijkertijd. Gemiddeld sliepen ze maar ongeveer 42 minuten per etmaal.

Ook gierzwaluwen kunnen in de lucht slapen. Dat doen ze niet alleen tijdens de trek, want ze brengen het merendeel van het jaar in de lucht door. Tegen de avond vliegen ze naar grote hoogte. Daar zweven en glijden ze en nemen ze korte rustpauzes van ongeveer vijf seconden, afgewisseld met enkele vleugelslagen om bij te sturen. Zo kunnen ze rusten zonder te landen.

Bij veel trekvogels weten we echter nog niet precies hoe ze tijdens zeer lange vluchten slapen. Van sommige vogels weten we wel dat ze tijdens de trek ultrakorte powernaps van gemiddeld enkele seconden nemen wanneer ze op de grond uitrusten.

Veel trekvogels keren ieder jaar terug naar hetzelfde broed- of overwinteringsgebied. Sommige soorten zijn zelfs bijzonder trouw aan hetzelfde broedterritorium. Nederlands onderzoek heeft bijvoorbeeld uitgewezen dat 90 procent van de gruttoparen na terugkeer uit Afrika binnen 700 meter afstand broedt van de plaats waar ze het jaar daarvoor nestelden. Meer dan de helft nestelt zelfs binnen 50 meter van de vorige nestplaats.

Ook belangrijke tussenstops keren steeds terug in de trekroute. De Waddenzee is bijvoorbeeld een vaste pleisterplaats voor miljoenen trekvogels. Onder andere kanoeten, rosse grutto’s en bonte strandlopers komen er ieder jaar om voedsel te zoeken en te rusten.

Een trektocht is zwaar en kost veel energie. Vogels kunnen onderweg te maken krijgen met slecht weer, tegenwind, roofdieren en uitputting. Tijdens lange vluchten zijn vogels extra kwetsbaar, omdat ze langere tijd veel energie verbruiken.

Als belangrijke natuurgebieden langs de trekroute verdwijnen of minder geschikt worden, kunnen vogels onderweg minder voedsel en veilige rustplekken vinden. Veel trekvogels zijn tijdens hun reis afhankelijk van een hele reeks geschikte gebieden. Als één belangrijke tussenstop verdwijnt, kan dat gevolgen hebben voor de rest van de reis.

Ook jacht en stroperij vormen een groot gevaar voor trekvogels. Vooral in delen van Zuid-Europa en rond de Middellandse Zee worden tijdens de trek miljoenen vogels gedood of gevangen. Daarnaast kunnen kunstlicht, gebouwen, hoogspanningskabels en windmolens vogels in gevaar brengen. Kunstlicht kan vogels ’s nachts uit koers brengen en naar verlichte gebouwen lokken. Daar kunnen ze tegen ramen vliegen.

Omdat trekvogels tijdens hun reis meerdere landen aandoen, moeten we ze ook over de grenzen heen beschermen. Vogelbescherming richt zich daarbij vooral op de Oost-Atlantische trekroute, die van het Arctisch gebied via Europa naar Afrika loopt. De Waddenzee is een van de belangrijkste gebieden op deze route. Miljoenen trekvogels gebruiken het gebied om te rusten en voedsel te zoeken. Samen met BirdLife Partners en andere organisaties werken we aan de bescherming van belangrijke gebieden langs de hele trekroute.