Spring naar content

Nieuws juni 2009

Natuurbeschermingsorganisaties waarschuwen voor naïef optimisme nieuw natuurbeleid

Vrijdag 26 juni 2009

Dat er straks veel soepeler omgegaan wordt met beschermde zeldzame planten en dieren zoals gesuggereerd in diverse media, is onzin.  Dat stellen de deskundigen van het Platform Soortenbeschermende Organisaties (vereniging PSO). Het nieuwe leefgebiedenbeleid is geen Haarlemmer olie om beschermde dieren die bouwprojecten in de weg zitten op zij te kunnen schuiven. Dat mag nu niet en straks ook niet.

Het nieuwe natuurbeleid in de vorm van de leefgebiedenbenadering (waarin niet zo zeer maatregelen voor één enkele soort genomen worden, maar een pakket van maatregelen om meerdere soorten in een gebied te laten profiteren) kan een betere bescherming bieden voor bedreigde plant- en diersoorten. Maar de relatie die het ministerie van LNV legt met de praktische uitvoering van de Flora- en faunawet die als een obstakel wordt ervaren bij bouwprojecten is volgens de Vereniging PSO onjuist. De suggestie dat het leven er voor bouwers en overheden een stuk gemakkelijker op wordt, getuigt van een ongefundeerd en volstrekt naïef optimisme.

De leefgebiedenbenadering moet leiden tot een cluster van gebieden die de populaties van bedreigde en zeldzame plant- en diersoorten buiten de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) versterkt*. De populaties zijn daardoor beter in staat aanslagen in andere gebieden op te vangen. Het ministerie stelt dat door de nieuwe benadering er bij ruimtelijke ingrepen geen ontheffing van de Flora- en faunawet meer nodig is. Maar dat is onjuist en in strijd met hogere, Europese wetgeving zoals de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens artikel 12 van de Habitatrichtlijn mogen een aantal specifiek genoemde soorten (waaronder alle vleermuissoorten, maar bijvoorbeeld ook kamsalamander, vliegend hert, groene glazenmaker en drijvende waterweegbree) niet worden geplukt, gevangen, verwond of gedood en mogen stand- en verblijfplaatsen niet worden verstoord, beschadigd of vernield. Deze verbodsbepalingen zijn geïmplementeerd in de Flora- en faunawet en blijven gelden bij toepassing van de leefgebiedenbenadering.

Vleermuizen

Met name soorten van het stedelijk gebied en pioniersoorten van ‘tijdelijke natuur’ zijn vaak de dupe van bouwactiviteiten en projectontwikkelingen. Voorbeelden hiervan zijn onder andere de rugstreeppad, oeverzwaluw, gierzwaluw en diverse soorten vleermuizen. In het persbericht van het ministerie en de daarop gebaseerde berichtgeving wordt het voorbeeld van vleermuizen gegeven. Onterecht wordt de suggestie gewekt dat juist voor de vleermuizen – waarvan meerdere soorten op de Rode Lijst van bedreigde soorten in Nederland staan – eenvoudig een nieuw leefgebied kan worden gecreëerd, zodat bestaande populaties kunnen worden verwijderd als zij een bouwproject in de weg zitten. Zo makkelijk is het echter niet.
In het algemeen is de levenswijze van vleermuizen dermate traditioneel en complex dat het jaren kan duren voordat zich op een nieuwe locatie een robuuste populatie heeft gevormd. Bovendien worden verschillende soorten en functies (voor overwinteren, kraamkolonies en voortplantingslocaties) van gebouwen te gemakkelijk op een hoop gegooid. Als bijvoorbeeld een kraamverblijf (van de gewone dwergvleermuis) in de spouwmuur van een flat verdwijnt door renovatie dan kun je dat niet compenseren door buiten de stad met maatregelen een fort geschikt te maken voor vleermuizen. Gewone dwergvleermuizen maken namelijk geen gebruik van forten. Dat fort is ‘slechts’ te gebruiken als winterverblijf voor een heel andere soort, de baardvleermuis. Bovendien zijn veel vleermuissoorten gebonden aan de bebouwde omgeving, waardoor compensatie in het buitengebied meestal niet voldoende is.

De leefgebiedenbenadering is een goed instrument om de levensvatbaarheid van bedreigde en zeldzame soorten in Nederland te vergroten, maar dit vrijwaart de overheid en initiatiefnemer nog niet van het zorgvuldig beoordelen van ingrepen in het landschap op hun effect op natuurwaarden.

Het Platform Soortenbeschermende Organisaties pleit, naast het doorvoeren van de leefgebiedenbenadering, voor handhaving van de huidige werkwijze, waarbij bij bouwprojecten eerst wordt onderzocht welke beschermde natuurwaarden kunnen worden behouden, daarna – als behoud niet mogelijk is – welke verzachtende maatregelen (mitigatie) mogelijk zijn en pas daarna wat er moet worden gecompenseerd.


Naar boven

Overig nieuws

Hoge dioxineconcentraties en sterfte van embryo's in eieren van Nederlandse zangvogels
Woensdag 16 mei 2012
Bijzondere overzichtstentoonstelling Artists for Nature Foundation in De Bilt (Ut)
Dinsdag 15 mei 2012
Vogelbescherming en Wereld Natuur Fonds financieren nieuwe leerstoel trekvogelecologie
Dinsdag 15 mei 2012

Ga mee vogels kijken

Activiteiten Vogelweek