Spring naar content

Ooievaar (Ciconia ciconia)

Volgens de eerste telling in ons land - dat was in 1910 en een unicum! - waren er zo'n 500 bewoonde ooievaarsnesten. Toen al was er sprake van een afname, die zich heeft voortgezet. In de jaren veertig van de vorige eeuw lag het aantal broedparen op 300 tot 350. In de jaren ´60 van de vorige eeuw was de ooievaar als broedvogel bijna uit Nederland verdwenen.
Om het tij te keren werd in 1969 een herintroductieprogramma voor de ooievaar gestart. Nu, veertig jaar later, is de ooievaar terug op het oude peil met ongeveer 700 broedparen in 2008. Helaas is een minderheid van de paren zelfstandig, dat wil zeggen niet afhankelijk van bijvoeren.
De soort staat sinds 2004 niet meer op de Nederlandse Rode Lijst van bedreigde vogelsoorten.

Trekpopulaties

Tot de jaren zestig van de vorige eeuw waren er twee trekpopulaties in Nederland; naar de Sahel via Gibraltar en naar zuidelijk Afrika via de Bosporus. De huidige groep trekt alleen via de westelijke route.

Leefgebied

Extensief beheerde weilanden in veenweidegebieden en uiterwaarden met een hoge waterstand. Voor een broedplek maakt de ooievaar gebruik van kunstmatige nestgelegenheden op daken en wagenwielen, maar hij broedt ook in zelfgemaakte nesten in bomen.

Bedreigingen

De ooievaar is een vogel die thuishoort in ons agrarische gebied. Daar was hij nagenoeg uit verdwenen. De drastische achteruitgang van de ooievaar vanaf de jaren veertig is onder meer veroorzaakt door:

  • droogte en de bestrijding van sprinkhanen in hun overwinteringsgebied (de Sahel); 
  • intensivering van de landbouw in Nederland (ruilverkavelingen en verlaging grondwaterpeil) waardoor het leefgebied minder voedsel opleverde;
  • verhoogde sterfte onder jonge ooievaars langs de trekroute als gevolg van botsingen en elektrocutie door hoogspanningsleidingen.

Herintroductieprogramma

In 1969 startte Vogelbescherming Nederland, naar Zwitsers voorbeeld, het project 'Herintroductie van de ooievaar in Nederland'.Eind twintigste eeuw ontstond het inzicht dat het beschermingsaccent van het individu naar de populatie moest gaan. Het herintroductieprogramma is mede door de inzet van vrijwilligers succesvol verlopen. Per 1 januari 2009 is de Stichting Ooievaars Research & Knowhow (STORK) gestart. Deze organisatie maakt zich sterk voor het ooievaaronderzoek en wil zich ontwikkelen tot HET kennis- een aanspreekpunt van de Nederlandse ooievaarbescherming.  Lees meer

Huidige doelstelling Vogelbescherming Nederland

  • het zelfstandig en duurzaam voortbestaan van een populatie ooievaars in Nederland met (overwegend) met zoveel mogelijk dezelfde eigenschappen als van de oorspronkelijke populatie;
  • een populatie van tenminste 300 zelfstandige en vrij levende broedparen.
 

Wat moet er volgens VBN gebeuren?

  • Zorg voor een beperkte groep. De oude projectooievaars (fokouders) hebben zorg (bijvoeren) nodig. Deze zorg wordt geboden door de buitenstations.
  • Leefgebiedherstel. Oudervogels moeten voor zichzelf en hun jongen voldoende voedsel kunnen vinden, ook tijdens slecht-weer-periodes. Daar is leefgebiedherstel voor nodig. Dat kost veel tijd en energie. Het gaat in eerste instantie om de omgeving van de bewoonde nesten.
  • Samenwerking. Wanneer buitenstations of vogelwerkgroepen plannen hebben voor leefgebiedherstel gaat Vogelbescherming graag met hen daarover in gesprek.
  • Lobby. Vogelbescherming lobbyt bij provincies voor een goede subsidieregeling voor agrarisch natuurbeheer. 
  • Zenderonderzoek. Om inzicht te krijgen in de belangrijkste factoren voor leefgebiedherstel is hiervoor in 2009 een zenderonderzoek in Gorssel gestart. Dit onderzoek valt samen met de uitvoering van een leefgebiedherstelplan, dat door de Vogelwerkgroep IJsselstreek is opgesteld.
  • Optimalisering van onderzoek.  Er zijn veel gegevens door onderzoek naar  naar sterfte, verspreiding en broedsucces bekend. Vogelbescherming steunt de digitalisering daarvan en ondersteunt waar mogelijk de wetenschappelijke analyse van de onderzoeksresultaten.
  • Meer inzicht in oorzaken huidige reproductie- en sterftecijfers. Er zijn verschillende beschermingsstrategieën mogelijk: verminderen van sterfte, vergroten van broedsucces of beide. Met hulp van een populatiemodel is vast te stellen welke de strategie de meeste kansen biedt zijn. Zo moet ook duidelijk worden hoeveel ooievaarsparen in Nederland zelfstandig kunnen broeden. Vogelbescherming zal de ontwikkeling van een populatiemodel waar mogelijk steunen.
  • Voorlichting Een belangrijke rol bij de voorlichting aan het publiek over het blijvende nut en noodzaak van ooievaarbescherming ligt bij de buitenstations en STORK.

Meer informatie