- Home
- > Vogels kijken
- > Vogelgids
- > Zoekresultaat
- > Detailpagina
Keep
- Overige namen
- Brambling, Fringilla montifringilla
- Orde
- Passeriformes
- Familie
- Vinken (Fringillidae)
- Status
- Jaargast. Uiterst schaarse broedvogel; zomergast in zeer klein aantal; doortrekker en wintergast in (zeer) groot aantal
- Rode Lijst
- Nee
- Beluister
Informatie
Kepen zijn de noordelijke tegenhangers van 'onze gewone' vink. In Nederland broeden jaarlijks enkele kepen, maar om meer dan drie tot vijf paren lijkt het niet te gaan. Hoe anders is het in Fenno-Scandinavië, waar de keep een van de meest talrijke broedvogel is. Daar echter ontbreekt de 'gewone' vink weer bijna helemaal. In de winter verblijven grote aantallen Scandinavische kepen in Nederland. De zang van de keep is vol van dissonanten en andere onplezierig klinkende tonen, en lijkt wel wat op de zang van de groenling. Vinken en kepen houden zich 's winters vaak op in gemengde groepen. Ze kunnen gemakkelijk worden waargenomen in beukenbossen, waar ze de afgevallen beukenootjes eten. Ze zijn net zo groot als de vink, maar hebben een witte bovenstaart en veel meer oranje in het verenkleed. Bij het opvliegen is de witte stuit erg opvallend.
Algemeen
- Overige namen
- Brambling , Fringilla montifringilla
- Orde
- Passeriformes
- Familie
- Vinken (Fringillidae)
- Status
- Jaargast. Uiterst schaarse broedvogel; zomergast in zeer klein aantal; doortrekker en wintergast in (zeer) groot aantal
- Europese verspreiding
- Kepen broeden vrijwel uitsluitend in Noorwegen, Zweden, Finland en Rusland. Oostwaards komen ze voor tot aan Moskou, de zuidgrens van het verspreidingsgebied wordt gevormd door Nederland, Denemarken en de Baltische Staten. Langs deze zuidgrens wordt nauwelijks nog gebroed, maar in de winter zijn kepen er talrijk.
Leefomgeving en voedsel
- Biotoop
- Bos, park en tuin
- Voedsel- en broedbiotoop
- De broedgebieden van kepen zijn meestal gemengde bosen en de randen van naaldbossen. Het nest wordt in een boom gemaakt, meestal op vrij lage hoogte (tot 9 meter maar meestal veel lager). Het nest is een diepe, goed gevoerde kom van mos, gras, haren en spinnenwebben. In de winter kunnen kepen vooral gevonden worden op akkers langs bosranden, beukenbossen en parken met beukenbomen. De zaden van de beuk vormen een van de belangrijkste voedselbronnen voor deze vinkachtige.
- Voedsel
- In de zomer worden insecten en zaden gegeten, 's winters uitsluitend zaden (o.a. beukennootjes)
Broeden
- Broedperiode
- Vanaf medio mei in het zuiden, vanaf begin juli in het noorden
- Koloniebroeder
- Nee
- Aantal legsels
- EƩn, soms twee legsels per jaar
- Aantal eieren
- 5 - 7, soms 4 - 8
Herkenning
- Opvallende kenmerken
- mannetjes in zomerkleed zijn zeer opvallend met zwarte kop en oranje borst. In de winter zijn ze een stuk minder opvallend maar de oranje borst valt op als kepen tussen vinken lopen
- Gedrag
- foerageert in de winter samen met vinken op de grond op beukennoten.
- Kleed
- Mannetjes in zomerkleed hebben een ongetekend oranje keel en borst en een glanzend blauwzwarte kop en mantel. Vrouwtjes hebben slechts een oranje tint op de borst en hebben een bruingrijze kop. In de winter hebben mannetjes lichte, roestbeige zomen aan de zwarte veren waardoor ze een nogal bont uiterlijk krijgen. De stuit is in alle kleden wit en de witte vleugelstrepen zijn deels oranjegeel.
- Formaat/ lengte
- 14-16 cm.
- Snavel
- Kegelvormig, zomers zwart, 's winters geel met zwart puntje
- Poten
- geelbruin
Vogeltrek
- Overwinteringsgebied
- Het overwinteringsgebied van kepen strekt zich uit van het zuiden van Fenno-Scandinaviƫ tot aan het Middellandse Zeegebied.

