- Home
- > Vogels kijken
- > Vogelgids
- > Zoekresultaat
- > Detailpagina
Appelvink
- Overige namen
- Hawfinch, Coccothraustes coccothraustes
- Orde
- Passeriformes
- Familie
- Vinken (Fringillidae)
- Status
- Jaarvogel. Vrij talrijke broedvogel; doortrekker in vrij klein aantal; wintervogel in vrij groot aantal
- Rode Lijst
- Nee
- Beluister
Informatie
Hebt u wel eens een punt kersenvlaai gegeten, waarin nog een pit bleek te zitten? Menigeen heeft hierop al kiezen, kronen en bruggen stukgebeten. Zo niet de appelvink. Deze vinkensoort heeft zo'n krachtige snavel dat een kersenpit schijnbaar moeiteloos gekraakt wordt. Uit onderzoek is gebleken dat de appelvink met zijn kaken een drukkracht van maar liefst 50 kilogram kan uitoefenen. Helaas gaat het grootste deel van het leven van appelvinken schuil achter vele boomtakken. De soort zit het liefst hoog in forse bomen en is bovendien bijzonder schuw en waakzaam. Door het verborgen gedrag en onopvallende geluid lijkt de appelvink zeldzamer dan hij werkelijk is; het zijn mooie wáárnemingen van een appelvink die schaars zijn. Op de zeldzame haakbek na is het de grootste en zwaarste vinkensoort van Europa.
Algemeen
- Overige namen
- Hawfinch , Coccothraustes coccothraustes
- Orde
- Passeriformes
- Familie
- Vinken (Fringillidae)
- Status
- Jaarvogel. Vrij talrijke broedvogel; doortrekker in vrij klein aantal; wintervogel in vrij groot aantal
- Europese verspreiding
- Appelvinken komen voor van Groot-Brittannië tot aan Japan, in de gematigde gebieden. Zuid-Zweden en de Baltische Staten vormen ongeveer de noordgrens van de verspreiding van de appelvink (de 60 graden noorderbreedte meridiaan). Buiten dit gebied komt de appelvink slechts zeer zelden voor.
Leefomgeving en voedsel
- Biotoop
- Bos, park en tuin
- Voedsel- en broedbiotoop
- Hoog opgaande bossen met oude beuken en eiken; gemengde bossen of uitsluitend loofbos. Ook in oude parken kunnen appelvinken worden aangetroffen.
- Voedsel
- Grote zaden van kersensoorten (vogelkers en gecultiveerde kersen), insecten en zaden van beuken en eiken.
Broeden
- Broedperiode
- Vanaf begin mei
- Koloniebroeder
- Nee
- Aantal legsels
- Meestal één, soms twee legsels per jaar
- Aantal eieren
- 4-5, soms 2-7
Herkenning
- Opvallende kenmerken
- Forse vinkachtige met stevige kegelvormige snavel, dikke kop en hals, witte eindband aan de korte staart en brede witte vleugelstrepen.
- Gedrag
- Doorgaans schuw, meestal onopvallend
- Kleed
- Roestbruin, beige verenkleed. De rug en vleugels zijn donkerbruin. Grijze band in de nek. Opvallende witte eindband aan de staart, valt vooral op tijdens de vlucht, evenals de witte vleugelstreep.
- Formaat/ lengte
- 17-18cm.
- Snavel
- Zeer groot en driehoekig gevormd, loodgrijs tot zwart van kleur.
- Poten
- Zangvogelpoten
Vogeltrek
- Overwinteringsgebied
- Nederlandse Appelvinken trekken in zeer strenge winters weg naar België en Frankrijk, maar deze wegtrekkers worden gecompenseerd door overwinteraars uit noordelijker streken. Meestal blijven appelvinken in zwervende, kleine wintergroepen ter plaatse.
