- Home
- > Vogels kijken
- > Ganzen
- > Ganzen herkennen
Ganzen herkennen

Voor de meeste mensen zijn alle ganzen hetzelfde. Toch hoef je geen ervaren vogelaar te zijn om al snel allerlei verschillen te ontdekken. In grootte, tekening en geluid blijken er duidelijke verschillen te bestaan. Als vuistregel wordt een onderscheid gemaakt tussen ‘bruine’ (ofwel ‘grijze’) ganzen en ‘bonte’ (ofwel ‘zwart/witte’) ganzen.
Niet zo gek want daarmee worden de kleuren van de verschillende soorten aardig weergegeven. Tot de eerste groep behoren de grauwe gans, de kolgans en de verschillende rietganzen. De brandgans, rotgans en de zeldzame roodhalsgans zijn ‘bonte’ ganzen. Om het kijkplezier te vergroten, nemen we de verschillende soorten iets uitgebreider onder de loep.
De 'bruine' ganzen
Grauwe gans
Dit is de directe voorvader van de tamme gans en tevens de grootste van het hele stel. Grauwe ganzen broeden voornamelijk in Scandinavië en rond de Oostzee. De laatste jaren broedt er ook weer een flink aantal in Nederland. Ze verblijven vooral in de herfst en aan het einde van de winter in ons land, onder andere in het Verdronken Land van Saeftinghe in Zeeland. In het midden van de winter is een deel in Spanje te vinden. Grauwe ganzen zijn goed te herkennen aan hun oranje snavel. Bij het vliegen valt de lichtgrijze kleur van de voorvleugels op. Hun luide, nasale gegak doet het meest aan dat van tamme ganzen denken.
Te zien: Langs de Grote Rivieren, Zeeuwse delta, Friesland en Waterland.

Kolgans
De kolgans doet zijn naam eer aan dankzij de opvallende witte kol aan het begin van de snavel. Opvallend zijn ook de zwarte dwarsstrepen op de buik bij de volwassen exemplaren. In januari en februari bereiken de aantallen een hoogtepunt en dan is de kolgans de meest voorkomende gans. Ze zijn goed te herkennen aan de hoge, haast jodelende kreten die ze voortbrengen.
Te zien: De grootste aantallen komen voor in Friesland en langs de grote rivieren, met name de IJssel.

Rietgans
Deze forse gans is voornamelijk in januari en februari te zien, zij het in veel kleinere aantallen dan de vorige ganzensoorten. De donkere kop en de gestreepte rug zijn de meest karakteristieke kenmerken. Het geluid is opvallend laag en doet aan een blaasinstrument denken. In Nederland komen twee ondersoorten van deze gans voor: de taigarietgans en de toendrarietgans. De eerste komt vooral voor in het binnenland, de ander is meer in kustgebieden te vinden. Qua uiterlijk lijken ze veel op elkaar.
Te zien: Rietganzen zie je vooral in veengebieden in Noord-Nederland en in de Noordoostpolder.

Kleine rietgans
De kleine rietgans komt maar op een paar plekken in Europa in kleine aantallen voor en is daardoor een kwetsbare soort. Deze gans broedt in Spitsbergen en trekt via midden-Friesland naar West-Vlaanderen om daar de winter door te brengen. Het is een ‘vroege’ gans die voornamelijk in de herfst is te zien en al weer vroeg naar noordelijkere streken trekt. Het geluid is minder laag dan dat van de gewone rietgans. Opvallend zijn de roze poten van de volwassen ganzen.
Te zien: De kleine rietgans komt hoofdzakelijk in Zuidwest Friesland voor.
De 'bonte' ganzen

Brandgans
De brandgans is niet veel groter dan de rotgans en houdt zich vooral op in de buurt van zoet water, zoals het Lauwersmeergebied, het Grevelingenmeer en Waterland. De lichte kop en onderkant steken opvallend af tegen de zwarte hals en borst. Het geluid wordt meestal omschreven als hees en blaffend. Ze zijn de hele winter in Nederland te zien.
Te zien: De grootste aantallen komen voor in Friesland en de Delta.

Rotgans
De rotgans is een kleine gans; hij is niet veel groter dan een forse eend. Toch legt hij de grootste afstanden af; het broedgebied ligt hoog in Siberië. Rotganzen zijn voornamelijk te vinden op het wad en bij riviermondingen waar ze zich voeden met zeegras, wieren, algen en kwelderplanten. Ze produceren een laag, ritmisch en enigszins grommend geluid: rôt, rôt, waaraan deze soort dus haar naam dankt. De voornaamste kenmerken zijn de zwarte kop, snavel en hals en het witte achterlichaam. De eerste rotganzen verschijnen kort na de zomer in Nederland, de laatste vertrekken pas in mei.
Te zien: Rotganzen komen vooral voor in de kust-streken: de Waddeneilanden, Fries-Groningse kust en de Delta.
De 'buitenbeentjes'
Roodhalsgans
Hoewel de kans niet erg groot is, worden er toch regelmatig enkele zeldzamere soorten waargenomen. De roodhalsgans valt op door de kastanjebruine hals en het duidelijk afgetekende zwart/wit van het overige verenkleed.

Dwerggans
De dwerggans is iets kleiner dan een kleine kolgans en heeft een uitgesproken roze snavel, het geluid is nog hoger dan dat van de kolgans. En dan zijn er nog de ‘exoten’, ganzen die hier van nature niet voorkomen, zoals de Nijlgans en de Canadese gans. Ooit ontsnapt uit parken of dierentuinen blijken ze het in het wild goed te doen.