Spring naar content

Overkoepelend onderzoek

In 2004 is de Rijksuniversiteit Groningen een langjarig grutto-onderzoek gestart in Zuidwest Fryslân. In het onderzoeksgebied, dat zich uitstrekt van Makkum tot Stavoren, komen lokaal nog veel grutto's voor. Op veel plaatsen zijn ze echter vrijwel verdwenen. De vogels lijken zich steeds meer te concentreren in weidevogelreservaten en op percelen met agrarisch natuurbeheer, die worden gekenmerkt door een extensief landbouwkundig gebruik.

Doel

Het onderzoek probeert uit te zoeken welke rol deze fragmentatie van het leefgebied speelt in de achteruitgang van de grutto-populatie. Het onderzoek richt zich daarnaast op de vraag hoe eigenschappen van individuele vogels (gedrag, conditie, uiterlijk), in relatie met omgevingsfactoren (beheer, vegetatie, waterpeil), van invloed zijn op het individuele voortplantingssucces en wat daarvan de consequenties zijn op populatieniveau. Dit soort vragen is niet alleen wetenschappelijk interessant maar levert tevens een bijdrage aan het vaststellen van effectief beleid voor het beschermen van deze bedreigde soort.

Kleurringonderzoek als basis

Om in ons onderzoek individuele vogels te kunnen volgen worden zij voorzien een unieke combinatie van gekleurde pootringen. Dit heeft als voordeel dat de vogels op afstand herkenbaar zijn en niet opnieuw moeten worden gevangen om te weten met welk individu je te maken hebt. Aan dit onderzoek werken meer dan 350 waarnemers uit binnen- en buitenland mee.

Relatie timing eileg en broedsucces

Uit dit onderzoek is onder andere naar voren gekomen:

  • dat er grote verschillen bestaan in timing van de aankomst in het broedgebied en start van de eileg, er is zelfs sprake van een range van 6 weken
  • dat dit consequenties heeft voor de kans op een succesvol broedseizoen. Vogels die vroeg met de eileg beginnen, blijken minder kans te lopen dat de eieren opgegeten worden en de kuikens hebben een grotere overlevingskans.

Conditie vrouwtjes mogelijk doorslaggevend

Dit roept de vraag op waarom niet alle vogels het broedseizoen vroeg starten. De conditie van de vrouwtjes, die een grote energie-investering moeten doen in de productie van de 4 relatief grote eieren, is daarvoor waarschijnlijk een belangrijke factor. Het zijn namelijk de zwaarste vrouwen die het eerst beginnen met broeden. Om te snappen hoe die vogels in zo'n goede conditie komen, is het belangrijk te weten waar die vogels overwinterd hebben, een tussenstop gemaakt hebben tijdens de trek en hoe lang en waar ze in het broedgebied aanwezig zijn voordat het eerste ei gelegd wordt.

Het aflezen van kleurringen levert daarvoor onvoldoende detailinformatie op, omdat de waarneemkans te gering is. Het zenderonderzoek zal hiervoor belangrijke aanvullende informatie leveren.

Download

Op de website van de RUG is een tweetal nieuwsbrieven te downloaden met meer informatie over het kleurringonderzoek.